Het begint op 25 november 1830 in Ronse.
In de maanden daarvóór was de jonge onderpastoor Etienne Glorieux in overleg getreden met zijn bisschop, Mgr. Van de Velde van Gent: heeft Mgr. geen broeders en zusters voor het vele werk ten behoeve van de allerarmsten dat Glorieux heeft opgezet? De bisschop heeft ze niet, hij raadt de priester aan een congregatie te stichten. De brief waarbij Glorieux benoemd wordt tot stichter en directeur van de Congregatie van de Broeders van Goede werken is gedateerd 25 november 1830.
En toen kwamen ze, de kandidaat-broeders, soms geheel uit zichzelf, soms gestuurd door de bisschop, jonge mannen en ook wel oudere. De stichter ontdekte snel dat er heel wat vastzat aan het stichten van een congregatie. De mannen moesten gevormd worden in het geestelijk leven en er diende een Regel te worden opgesteld. Geen sinecure voor iemand wiens dagen van de heel vroege morgen tot diep in de nacht gevuld waren met werk en zorgen van allerlei aard. Hij stuurde zijn concept naar de bisschop die er nogal wat aan veranderde. Maar of deze vermoedde dat de jeugdige priester te hard van stapel liep, hij eindigde zijn brief als volgt: “mijn beste, wees voorzichtig en omzichtig en onderneem niets boven uw krachten. Niet het vele is goed, maar het goede is veel..."
De (voorlopig) definitieve Regel werd goedgekeurd op 27 juli 1835.
Op 19 en 20 augustus van dat jaar werd het werk van de congregatiestichting voltooid: op de eerste dag ontvingen zes broeders het kloosterkleed en daags daarna legden zij voor het eerst geloften af.
In de volgende jaren was er sprake van een stormachtige groei. Tussen 1836 en 1841 werden er maar liefst zeven huizen aangenomen: scholen, wees- en armenhuizen. Het aantal broeders nam eveneens gestadig toe, maar het heeft er toch veel van dat de aantallen beschikbare en noodzakelijke krachten niet met elkaar in evenwicht waren. Het gevolg was dat de broeders boven hun krachten moesten werken, wat de verzorging van het geestelijk leven niet ten goede kwam. Glorieux was zeker een inspirerende figuur, maar hij moet zijn broeders in dit opzicht ook wat hebben overschat. Intussen had hij voor de vorming van zijn religieuzen - na veel moeilijkheden was in 1845 ook de Congregatie van de Zusters van Barmhartigheid gesticht - medewerkers gevraagd, mede omdat hij in 1842 pastoor van de St. Maartensparochie in Ronse was benoemd. Eén van die medewerkers, de priester Colle, had over tal van zaken andere, in de ogen van sommigen: betere ideeën dan Glorieux en deze raakte meer en meer buitenspel. In 1846 werd Colle zijn opvolger als algemeen bestuurder van de broeders en de zusters en kreeg Glorieux zijn ontslag als pastoor. Twee jaar later moest hij Ronse verlaten.
De periode 1846-1888 kan men in verschillende opzichten een lijdensgeschiedenis noemen. De congregatie stond via de “geestelijke vader”, een priester van het bisdom, in feite onder bisschoppelijk bestuur.
De overste van het moederhuis te Ronse was “Vader-overste”, maar zijn bevoegdheden waren miniem, vergeleken met die van de geestelijke bestuurders, onder wie er evenwel zijn geweest die de belangen van de congregatie van harte hebben gediend - maar wel op hun manier. Deze situatie heeft de congregatie wel broeders gekost - flinke mensen met initiatieven hadden het moeilijk.
In 1886 werd onder grote invloed van de geestelijke vader broeder Hilarius Van Brande tot algemeen overste gekozen (de vraag is zelfs of het woord “kiezen” hier wel ten volle op zijn plaats is). De geestelijke bestuurder had wel vertrouwen in de volgzaamheid van zijn beschermeling. Daarin heeft hij zich wel enigszins vergist.
Vader Hilarius heeft het moederhuis verplaatst van Ronse naar Oostakker, waar de broeders een school hadden aangenomen; hij heeft bij die gelegenheid een nieuwe naam voorgesteld: Broeders van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes, ook al om met een schone lei te beginnen, nadat de congregatie in Ronse om verschillende redenen een minder goede naam had gekregen. Tenslotte wist hij in 1892 te bereiken dat de congregatie door de paus werd erkend en daarmee “van pauselijk recht” werd, waardoor de rechtstreekse band met het bisdom werd verbroken en de geestelijke bestuurder van het toneel verdween. Voortaan bestuurden de broeders zichzelf en de geschiedenis bewijst dat dit voor de bloei van het instituut bepaald niet nadelig is geweest.
In België vestigde de congregatie zich op verschillende plaatsen waarbij het hoofdaccent telkens lag op het verstrekken van onderwijs. Onmiddellijk na de overkomst naar Oostakker werd sterkt aangedrongen op een eigen onderwijzersopleiding die er in 1914 zou komen. In 1937 kreeg de opleiding een onderkomen in de nieuwe en opvallend moderne normaalschool. Sommigen kregen de kans om aan regentaat of universiteit verder te studeren. De broeders konden hiervoor terecht in Heverlee bij Leuven.
In de eerste helft van de 20ste eeuw kwamen broeders onder andere te Puurs, Hamme, Merchtem, Loppem, Burcht, Bornem, Lebbeke, Asse, Anderlecht, Heusden en Ledeberg onderwijs geven. Op verschillende plaatsen groeiden enkele klasjes in de loop der jaren uit tot heuse scholen met volledige leergangen, meestal lager onderwijs en soms ook lager secundair.
De verbetering van de opleiding, het vertrouwen dat de broeders genoten en de toenmalige maatschappelijke keuzes en voorkeuren lagen mee aan de basis van deze uitbreiding.
© Broeders van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes.