Vrij kort na de stichting van de congregatie meldden zich kandidaat-broeders uit Nederland. Dit kan enerzijds wat verbazing wekken vanwege het feit dat voor die tijd de stad Ronse, waar moederhuis en opleiding gevestigd waren, toch vrij ver weg lag en bovendien in een land dat zich zojuist min of meer van Nederland had losgevochten. Anderzijds waren er in Nederland nog weinig mogelijkheden voor jongemannen om in een actieve congregatie hun roeping te volgen. In ieder geval traden er rond 1840 kandidaten in, afkomstig uit Uden, Nijmegen, Eindhoven en nog andere plaatsen.
De indruk wordt gewekt dat Stichter Glorieux niet goed wist waar hij deze broeders in kon zetten; zo schrijft hij over “moeilijkheden met de taal”. Een paar ondeugende knapen uit Delft zorgden voor een oplossing. De heren regenten van het katholiek weeshuis te Delft wisten met twee jongens geen raad en de directie van het huis, de z.g. “binnenvader” nog minder. De voorzitter had - hoe weten we niet - gehoord van het gesticht te Ronse en hij vroeg directeur Glorieux om de lastige jongens in zijn huis op te nemen. Glorieux willigde het verzoek in en deed in dezelfde brief het aanbod Nederlandse broeders te sturen om het weeshuis te leiden. Hoewel de regenten daar aanstonds wel voor voelden, duurde het nog maanden voor het zover was: twee broeders, binnen enkele weken gevolgd door nog twee, arriveerden op 29 juni 1844.
De weeshuisbestuurders in Den Haag, Rotterdam en Leiden hebben vermoedelijk van de Delftse collega’s goede dingen over de broeders van Ronse gehoord. In de volgende jaren zien we hen in die huizen de opvoeding van de jongens en weldra ook de verzorging van oude mannen ter hand nemen. Nog later ook in Den Bosch.
Een verzoek van heel andere aard bereikte de leiding van de congregatie in 1853: wilden de broeders de verpleging op zich nemen van psychiatrische patiënten in het eeuwenoud gesticht “Reinier van Arkel” te ‘s-Hertogenbosch? Dit liefdewerk was de congregatie nog geheel vreemd. Toch zou de verpleging uitgroeien tot het werk dat in Nederland de broeders de grootste bekendheid zou geven, alleen al vanwege het getal dat daarin werkzaam was. Sinds 1870, resp. 1885 werkten de broeders ook in “Coudewater” te Rosmalen en in “Voorburg” te Vught. Maar overal was men “in dienst” en hoewel in het algemeen de relatie met de besturen niet slecht was, bestond er in de congregatie ook de neiging te laten zien wat men er in volledige zelfstandigheid van terecht zou brengen. Dit leidde tot de stichting van “Huize Overdonk” te Dongen, een tehuis voor zowel tijdelijk als langdurig verblijf van mannen met een handicap, dat laatste in de ruimste zin.
Toen in 1910 de congregatie terwille van een betere bestuurbaarheid in provincies werd verdeeld, vestigde zich in “Overdonk” het bestuur over de Nederlandse huizen en sindsdien sprak men in Nederland van de Broeders van Dongen.
Maar “Overdonk” was geen echte psychiatrische inrichting en de wens van een aantal broeder-verplegers was: bestuur én leiding van een eigen instituut.
De weg daarheen was lang en moeizaam, maar in 1929 werd een begin gemaakt met de St.-Willibrordusstichting te Heiloo, een psychiatrisch centrum dat in de “grote” tijd 7 à 800 patiënten telde en waar ruim honderd broeders werkten. “Heiloo” wist psychiaters van naam aan te trekken en zo is daar door artsen en verpleegkundigen heel wat pionierswerk verricht.
Het kon daarbij een onvermoede kant opgaan, zoals uit het volgende blijkt. Op verzoek van de regering werden in Heiloo ook psychopaten verpleegd en soms waren daar nog jonge knapen onder.
Enkele broeders namen het initiatief tot een andere behandeling van deze jongens en zo kwam, eerst te Heemstede, later in Doorn, het observatiehuis “Beukenrode” tot stand, waar gepoogd werd uit te vinden waarom kinderen al jong tot crimineel gedrag kwamen en wat gedaan kon worden om het kwaad te keren.
En dan het onderwijs, vanaf het begin voor de broeders in België een vertrouwd handwerk, in Nederland relatief laat gestart. Dit kwam omdat de regelgeving op dit terrein in Nederland heel wat strakker was dan in België en het bestuur van de congregatie vreesde dat de eisen nog zouden worden opgevoerd, waarbij nog kwam dat het bijzonder onderwijs het vrijwel zonder overheidssubsidie moest stellen. Anderzijds werd ook goed begrepen dat via eigen scholen bekendheid aan de congregatie werd gegeven. Wilde het werk in Nederland doorgaan, dan moest er in Nederland geworven worden. In 1896 vestigden zich in Dongen op het terrein van “Overdonk” enkele broeders en Nederlandse jongens (aspirant-broeders) en werd een begin gemaakt met een onderwijzersopleiding die zou uitgroeien tot een kweekschool. Zodra er broeders-onderwijzers waren, werden er scholen gesticht of overgenomen: in Dongen, Rotterdam, Vught, Valkenswaard, Moergestel, Geldrop.
Na de Tweede Wereldoorlog kwam er ook aandacht voor speciaal onderwijs: Emmen (l.t.s.) en Groesbeek (l.t.s. en b.l.o.) en voor onderwijs in achterstandssituaties (Nijmegen).
Dit overzicht is niet volledig. Zo verdienen enkele werken vermelding die, voor de tijd waarin ze werden aangenomen, zeker onconventioneel waren, zoals de leiding van werklozenkampen in de jaren ‘30, en iets later, de huisvesting van daklozen te Utrecht. En nu is er nog Vessem: Huize Kafarnaüm, met mogelijkheden tot vergaderen en bezinning, annex de Jacobushoeve, een kringloopmagazijn. Op beide plekken zien we een grote inzet van vrijwilligers.
Hierboven was sprake van een reeks instellingen, ooit door de broeders begonnen of overgenomen. Vandaag zien we daar vrijwel nergens meer een broeder aan het werk. Maar het gaat gelukkig wel door: professionals én vrijwilligers wijden zich aan het goede werk. En de broeders zelf?
Zij doen hun best in de geest van Glorieux dienstbaar te blijven aan de naaste. De omstandigheden maken dat dit nu, in tegenstelling tot vroeger, eerder gebeurt in het klein dan in het groot. Maar het gebeurt gelukkig wel.
volgende hoofdstuk vorige hoofdstuk overzicht
© Broeders van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes.